Kennismaking met ‘Jan van Beers’

Op 1 december 1861, ruim vijf jaar na het ingaan van de “wet tot regeling en beperking der uitoefening van het recht van vereniging en vergadering”, besloot in Utrecht een negental heren, onder wie een aantal onderwijzers, tot oprichting van een ‘Vereniging tot oefening van stijl en welsprekendheid’, een eigen reciteer-vereniging. Opgericht in een tijd waarin de leden bij voorkeur bebaard, gewichtig en gezet moesten zijn om aanzien te kunnen genieten. Een tijd waarin een gekozen bestuurslid zijn functie niet aanvaardde, maar zich de benoeming liet welgevallen.

Enige namen van de oprichters: voorzitter J. Mars (in 1862: J.P. Doressen), secretaris Van Beest, en penningmeester Reyne. Hadden deze initiatiefnemers gedacht dat heden ten dage hun vereniging een van de oudste in het land zou zijn?

Voor een vereniging was het een eer in die tijd de naam van een bekende dichter of toneelschrijver te mogen dragen. Daar o.a. de voorgedragen poëzie zich sterk op Vlaanderen oriënteerde en het merendeel van de leden der Kamer een bijzondere voorkeur bleek te hebben voor de gedichten van de Vlaamse dichter Jan van Beers (1821-1888), werd besloten aan deze dichter toestemming te vragen om zijn naam te mogen dragen. In december 1862 is deze toestemming verleend. Daarna heeft de dichter meerdere malen de z.g. “openbare vergaderingen” bijgewoond. Bij het 25-jarig bestaan in 1886 heeft de naamgever zelf de feestrede uitgesproken.

Het doel van de vereniging, onder de zinspreuk “Steeds Beter”, was: Beoefening van de uiterlijke welsprekendheid, de toneelspeelkunst en verbreiding van de kennis der Nederlandse taal- en letterkunde. In de beginperiode waren het voornamelijk voordrachten, die gegeven werden. In de loop der jaren heeft het karakter van de Kamer zich gewijzigd en het oorspronkelijke ‘reciteren van gedichten’ en het zelf beoefenen van de dichtkunst is op de achtergrond geraakt. Van letterlievende vereniging groeide ‘Jan van Beers’ uit tot een hecht bolwerk van enthousiast en sterk amateurtoneel. Naast het beoefenen van de welsprekendheid begon men vanaf 1863 tevens toneel te spelen. Al gauw werd deelgenomen aan toneelwedstrijden van andere Rederijkerskamers in ons land en zelfs breidden zich de contacten uit tot Vlaanderen, waar vele oude Rederijkerskamers nog steeds resideren. Toneel was aan het eind van de 19e eeuw zeer populair, zó zelfs dat ‘Jan van Beers’ na het winnen van een toneelwedstrijd in Maastricht, bij terugkeer in Utrecht werd ontvangen door drie militaire muziekkorpsen, trompetters en herauten te paard, waarna haar een huldiging door het gemeentebestuur op het stadhuis ten deel viel.

Op het gebied van de samenwerking was de Kamer, zowel plaatselijk als landelijk, zeer aktief. Op 19 februari 1867 werd in de stadsschouwburg een voorstelling gegeven “ten voordeele van de noodlijdende choleralijders”, samen met de Utrechtse Rederijkerskamer Nicolaas Beets. In 1865 was ‘Jan van Beers’ initiatiefnemer tot de oprichting van het (Noord- en Zuid) Nederlands Rederijkersverbond, een voorloper van het Nederlands amateur-toneelverbond. De eerste jaren stond zij als “bestuurlijke” kamer aan het hoofd van dit verbond.

In dit samenwerkingsverband werden vele wedstrijden (“prijskampen”) tussen de (in het begin zeven) kamers gehouden, waarbij ‘Jan van Beers’ vele malen prijzen in de wacht sleepte. In mei 1883 trad de kamer uit het verbond. Ook daarna heeft ‘Jan van Beers’ regelmatig eerste prijzen bij wedstrijden weten te behalen.

De banden met het Koninklijk Huis zijn van oudsher hecht. In de loop van 1870 was ZKH Prins Willem, oudste zoon van Koning Willem III, bereid het beschermheerschap van de Kamer op zich te nemen. Op 16 september 1911 aanvaardde ZKH Prins Hendrik de functie van Beschermheer en ter gelegenheid van de viering van het 50-jarig bestaan verleende HM Koningin Wilhelmina de Rederijkerskamer het predicaat ‘Koninklijk’. De band met het koninklijk huis werd door ZKH Prins Bernhard voortgezet vanaf 1 december 1946.

Reeds in 1866 had de kamer een ledental van 157 bereikt; een aantal, ongeveer gelijk aan dat in 1948. Aanvankelijk waren alleen heren lid van ‘Jan van Beers’, maar als men stukken wilde spelen met damesrollen, vond men de oplossing door daarvoor beroepsactrices uit te nodigen. Zo ontstond een band met het beroepstoneel en traden samen met de leden veel actrices van naam op, zoals Theo Mann – Bouwmeester, Esther de Boer – van Rijk, Else Mauhs, Rika Hopper, Nell Koppen en vele anderen. Langzamerhand veranderde echter de situatie. De beroepsgezelschappen leenden kun krachten niet graag meer uit en de actrices gingen het minder vleiend vinden om als prima donna tussen “beschaafde heren” te staan. Pas in 1938 werden er dames bij ‘Jan van Beers’ toegelaten. Het beeld wijzigde zich geleidelijk; nu waren er genoeg dames, terwijl voor een goede bezetting van de mannenrollen soms veel moeite moest worden gedaan. Maar gelukkig heeft ‘Jan van Beers’ de laatste jaren minder met dit probleem te kampen. Gepoogd wordt aspirant-toneelspelers door middel van workshops de beginselen van het toneelspel bij te brengen en “herintreders” de door hen gezochte opfrissing te verschaffen.

Tijdens de 2e Wereldoorlog heeft men zich niet willen aansluiten bij de z.g. Kultuurkamer. De aktiviteiten werden dan ook, zij het tijdelijk tussen 1942 en 1945, stopgezet.

De Koninklijke Rederijkerskamer ‘Jan van Beers’ heeft door de jaren heen in binnen- en buitenland aan veel toneelmanifestaties deelgenomen en zelf ook meerdere malen wedstrijden uitgeschreven. De Kamer verwierf zich, met de plaatselijke stadsschouwburg als ‘thuishaven’ in de stad Utrecht en ver daarbuiten een uitstekende reputatie. Door de steeds stijgende kosten heeft het bestuur zich inmiddels genoodzaakt gezien over te gaan op twee uitvoeringen per jaar.

Met het toneelstuk “Banket bij de Kalief” werd op 1 december 1961 in de Utrechtse stadsschouwburg de viering van het 100-jarig bestaan ingeluid.

Hoewel toneelverenigingen het op het ogenblik, door de concurrentie van de media, moeilijk hebben, streeft de Rederijkerskamer er nog ieder jaar naar haar leden met twee voorstellingen te verblijden.

‘Jan van Beers’ kan terugzien op een lange reeks van geslaagde toneelvoorstellingen – meestal tenminste, want zij is en blijft immers een gezelschap van oprechte amateurs – voor doorgaans goed gevulde zalen. In het lustrumjaar 1996 werd met verve door een grote cast “Het spookt op Beerschoten” voor het voetlicht gebracht, een komedie van geesten en levenden, gelardeerd met voor de gelegenheid speciaal gecomponeerde liedjes. De laatste jaren wordt getracht met enige regelmaat eigentijdse schrijvers vanuit het Nederlandse taalgebied aan bod te laten komen. Zo werd in 1998 “De vossejacht” van Hugo Claus op de planken gebracht en in het voorjaar 1999 “De woonboot” van Haye van der Heyden en in het najaar “Een sneeuw” van Willem Jan Otten. In 2002 werd als najaarsproductie gekozen voor “De polyester polka” van Dimitri Frenkel Frank en in het najaar van 2009 voor “Pappa komt thuis” van René Retèl. Maar ook de klassieken worden niet gemeden. Zo werd in het najaar 2000 met veel succes “Driekoningenavond” van William Shakespeare gespeeld, in 2003 “Wie het laatst lacht” van Noel Coward, in 2006 “Alles voor de tuin” van Edward Albee, in 2008 “De eetkamer” van Albert R. Gurney, Jr., in 2011 “Hamleto”, een bewerking van Shakespeare’s Hamlet, in 2012 “Het belang van Ernst” van Oscar Wilde, in 2013 “Los Zand” van Annie M.G.Schmidt en in 2016 “De Vrek” van Molière.

Het laatste decennium heeft een groep jonge leden onder de naam Beer’s Los een aantal toneelstukken voor het voetlicht gebracht. Aanvankelijk werden bestaande stukken opgevoerd, zoals in 2003 “Een avondje uit” van Harold Pinter en in 2004 “      Vitale delen” van Alex d’Electrique. De laatste jaren waren de toneelstukken het resultaat van improvisaties.

Door de kwalitatieve eisen die ‘Jan van Beers’ zich zelf oplegt, werd zij in verband met de steeds hoger wordende kosten van zaalhuur, decors en kostuums, meer en meer gedwongen zich beperkingen op te leggen in de keuze van haar stukken. Toch mag nu, ruim 155 jaar na haar geboorte, worden vastgesteld dat de enig overgebleven Rederijkerskamer in Utrecht (de beide andere Utrechtse kamers, ‘Molière’ en ‘Nicolaas Beets’, zijn helaas opgeheven) als amateur-vereniging een levendige rol vervult in het culturele leven van stad én provincie Utrecht. Er wordt jaarlijks een najaarsvoorstelling gebracht. Ook wordt deelgenomen aan eenakterfestivals en de ca 30 leden, gesteund door zo’n 50 begunstigers en enkele sponsors, blijven actief met hun boeiende en verstrooiende liefhebberij die doorgaans de toets der kritiek ruimschoots kan doorstaan.

De Kamer wordt gevormd door leden, ereleden, leden van verdienste, jeugdleden en begunstigers. Het bestuur wordt gekozen door en uit leden. Ondanks kleine veranderingen in de samenstelling ervan in de loop der tijd, bestaat het bestuur momenteel niet alleen uit een voorzitter, secretaris en een penningmeester, maar tevens bestuursleden die een specifieke portefeuille hebben, zoals artistieke zaken, productie/ledenadministratie en public relations.

Deze veranderingen gelden ook voor de vergaderingen, die in het verleden te verdelen waren in algemene (vergaderingen van voornamelijk kunstlievende leden, een maal per jaar gehouden), bijzondere (vergaderingen van werkende leden, dienend ter behandeling van huishoudelijke zaken), bestuursvergaderingen en vergaderingen van de ballotage-commissie (een commissie uit de kunstlievende leden).

Momenteel wordt naast de bestuursvergaderingen eenmaal per jaar een algemene ledenvergadering gehouden. Om de band tussen de leden te versterken worden diverse activiteiten georganiseerd, zoals workshops en culturele evenementen.

Bronnen:

Koninklijk Verenigd, functie en analyse van een vorstelijk predicaat. Rijswijk 30 april 1991.

Inleiding van het inventarisoverzicht, F. Schoonheim, Gemeentelijk archief Utrecht 1974.

Archief van de Koninklijke Rederijkerskamer ‘Jan van Beers’.